Over minderheden en hun culturele identiteit – Francis Van den Eynde

Antwerpenstasie

Meegaande artikel is aan ons verskaf met die vriendelike samewerking van meneer Jan GR Verleysen, Algemeen voorzitter Marnixring Internationale Serviceclub.


Ten gevolge van allerlei omstandigheden, zoals onder andere oorlogen en expansiedrang, hebben de grenzen die landen van mekaar scheiden door de eeuwen heen praktisch allemaal heel wat verschuivingen ondergaan. In sommige gevallen werden die grenzen zelfs op een totaal willekeurige wijze afgesproken tussen staten die op deze wijze hun wederzijdse gebieden wilden erkennen. De quasi kubistische grenzen van een aantal voormalige Europese kolonies in Afrika vormen hiervan een prachtige illustratie. Maar wat de oorsprong er ook van mag wezen, heel wat van die grenzen zijn niet organisch ontstaan.

Het gevolg is dat deze grensafspraken vaak niet overeenstemmen met de etnische en de sociologische realiteit van de gebieden die ze afbakenen. Dit brengt met zich mee dat heel wat volkeren, die een gebied bewonen waarin ze van oudsher thuis zijn, desondanks onder het gezag terecht zijn gekomen van een staat waarin een ander en talrijker volk het voor het zeggen heeft. Een goed voorbeeld hiervan vinden wij in Frankrijk: de Bretoenen die een eigen taal, cultuur en geschiedenis hebben maar nu al eeuwen door Frankrijk worden geregeerd. In andere gevallen is het slechts een deel van het oorspronkelijk gebied dat geen deel van de eigen staat  meer uitmaakt. Die situatie ziet men in de Duitstalige kantons van België die tot 1918 bij Duitsland hoorden. Bovendien zijn er dan nog die volkeren die niet meer beschikken over een grondgebied dat min of meer homogeen het hunne was en waarvan de leden ondanks hun totale verspreiding, zich nog steeds met een eigen taal, een eigen cultuur en vaak een eigen godsdienst identificeren. Dat geldt voor de Joden in heel wat landen van de westerse wereld en in zekere zin ook voor de Afrikaners in Zuid Afrika.

De situatie van volkeren is vaak verschillend. De Koerden leven weliswaar in één homogeen gebied maar in diverse staten, waarin zij telkens een minderheid vormen en ernstig beknot worden in de zelfstandige ontwikkeling van hun identiteit.

Hoe verschillend de situatie van al die volkeren ook moge zijn, het zijn stuk voor stuk allemaal etnische minderheden, die tegen alle moeilijke en bedreigende omstandigheden in, hun eigen identiteit proberen te vrijwaren. Hun identiteitsbehoud wordt hen meestal niet in dank afgenomen door de meerderheid van het land waarin ze wonen. Een meerderheid die hiervoor trouwens geen enkel begrip kan opbrengen. Het is bovendien zo dat het zich inzetten voor het in stand houden van de eigen cultuur meestal uitmondt in een streven naar onafhankelijkheid of op zijn minst naar een zekere autonomie en dat komt bij de heersende meerderheid over als een regelrechte aanval op de integriteit van haar grondgebied. Het kom er op neer dat de situatie waarin etnische minderheden zich bevinden nooit echt comfortabel is[1], maar dat dit hen er niet van weerhoudt zich toch keihard voor het redden van  de eigen identiteit in te zetten ook al heeft de ene het moeilijker dan de andere. Ze doen dit uiteraard omdat ze anders zich zelf zouden verliezen. “Zijn is anders zijn” zegt de Franse filosoof Alain de Benoist, maar ze redden tegelijkertijd een stukje van de diversiteit van de wereld waarin wij leven. Dat is een bittere noodzakelijkheid want onze verscheidenheid komt onder druk van de mondialisering meer en meer in het gedrang.

De wijze waarop minderheden dit aanpakken is vanzelfsprekend vrijwel overal in de wereld dezelfde. Met name in eerste instantie zorgen voor de toepassing van de oude Nederlandse zegswijze “ Help u zelf, zo helpe u God”. Wat neerkomt op het met alle macht in stand houden van alles wat de eigen identiteit kenmerkt:

  • de eigen taal moet zo vaak mogelijk worden gebruikt. Kranten, tijdschriften en boeken die in die taal opgesteld zijn, moeten gemakkelijk te verkrijgen zijn. Indien die taal niet meer onderwezen wordt of in die taal geen volledig onderwijs wordt aangeboden, zelf scholen oprichten;
  • alle specifieke tradities en gebruiken koesteren en in stand houden en dit van volksdans tot regionale gastronomie;
  • zich politiek organiseren om op beleid druk te kunnen uitoefenen. Voorbeeld: op het einde van de negentiende eeuw kende Groot-Brittannië slechts twee grote politieke partijen. De liberalen en de conservatieven. Beide wilden uiteraard graag de regering vormen. Hiervoor hadden ze echter een parlementaire meerderheid nodig wat niet voor de hand liggend was. Toen de Ieren dit opmerkten gingen ze prompt over tot de oprichting van “the Irish party”. Deze formatie verbond zich ertoe de nodige parlementaire steun te bezorgen aan het kabinet dat in ruil hiervoor zich ertoe bereid verklaarde de meeste tegenprestaties ten voordele van de Ierse zaak te leveren;
  • de noodtoestand waarin een etnische minderheid zich bevindt op internationale fora aanklagen (de Verenigde Naties, etc.). Regeringen zijn immers bijzonder gevoelig voor kritiek uit het buitenland;
  • politieke bondgenoten zoeken die ertoe bereid zijn in hun onderscheidenlijke landen agitatie te voeren om de zaak ten voordele van betrokken minderheid te voeren (betogingen voor ambassades, media-aandacht, enz.);
  • het geloof in de eigen zaak nooit opgeven.

Inderdaad, hoop en moed nooit opgeven. Willem van Oranje hield het ons al voor: “Het is niet nodig om te hopen om te ondernemen, noch te slagen om te volharden”.


Francis Van den Eynde

Ereondervoorzitter van de Belgische Federale Kamer van Volksvertegenwoordigers

 

[1] Op uitzondering van de Duitse minderheid in Denemarken en van de Deense in de Duitse bondstaat Sleeswijk-Holstein. Beide landen  ondertekenden immers een verdrag dat voor hun respectieve minderheden een vaste parlementaire vertegenwoordiging, culturele autonomie en onderwijs in eigen taal garandeert.

 

No comments yet.

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.